Jij als ouder
Drie gouden basisregels om je kind te laten luisteren
In dit artikel lees je regel 1: maak echt contact, regel 2: vraag het één keer en meen het en waarom dit werkt. Zo krijg je zachtere woorden en concrete stappen voor thuis.
Je vraagt of hij zijn spullen opruimt. Je vraagt of hij zijn jas aandoet. Je vraagt of hij aan tafel komt.
En er gebeurt niets. Of er gebeurt iets na de vierde keer, en dan sta jij er inmiddels anders bij dan toen je begon.
Voordat je aan de inhoud van wat je vraagt gaat sleutelen, is het de moeite waard om te kijken naar hóé je het vraagt. Want daar valt vaak meer te winnen dan je zou denken, en het kost je niets.
Regel 1: maak echt contact
Dit is verreweg de belangrijkste van de drie, en tegelijk degene die het vaakst wordt overgeslagen omdat er geen tijd voor lijkt te zijn.
Loop naar je kind toe in plaats van te roepen vanaf de trap of vanuit de keuken. Noem zijn naam. En sluit even aan bij wat hij aan het doen is: kijk mee, vraag wat hij aan het bouwen is, doe een halve minuut mee.
Dat laatste voelt als tijdverlies op een moment dat je haast hebt, en het is precies wat het verschil maakt. Een kind dat middenin iets zit, moet eerst uit dat spel komen voordat hij kan horen wat je vraagt, en die overstap gaat niet vanzelf. Door even aan te sluiten help je hem eruit in plaats van dat je hem eruit trekt.
Vraag jezelf eens af hoe je dit nu doet. Roep je meestal iets vanuit een andere kamer, of ga je erheen? Bij de meeste gezinnen is het antwoord het eerste, en dat is niet uit luiheid maar omdat er van alles tegelijk moet.
Regel 2: vraag het één keer en meen het
Als je iets vier keer moet zeggen voordat er iets gebeurt, dan heeft je kind geleerd dat de eerste drie keer niet meetellen. Dat is geen ongehoorzaamheid maar een logische conclusie uit hoe het tot nu toe is gegaan.
Zeg het dus één keer, en zorg dat wat je zegt ook echt gebeurt. Dat betekent niet strenger worden maar concreter: zeg alleen wat je gaat doen en wat je kunt waarmaken, en blijf erbij tot het gebeurd is in plaats van terug te lopen naar de keuken.
En als je merkt dat je iets hebt gezegd wat je niet gaat doen, zeg dat dan gewoon hardop. Dat lijkt zwak en het is het tegenovergestelde, want je laat er juist mee zien dat je woorden ertoe doen. Meer daarover bij doe wat je zegt.
Regel 3: zeg wat er wel kan
"Niet rennen" is voor een kind een lastige zin, want er zit vooral het woord rennen in. "Rustig lopen" is korter, duidelijker, en hij weet meteen wat hij moet doen.
Datzelfde geldt voor het grotere plaatje. "Je mag dit spel nog afmaken en dan gaan we eten" komt heel anders binnen dan "nu ophouden", terwijl de uitkomst precies dezelfde is. Je verandert niets aan wat er gebeurt, alleen aan het gesprek dat eraan voorafgaat, en dat scheelt bij veel kinderen de helft van het verzet.
Geef hem daarbij zoveel mogelijk iets te kiezen binnen wat toch moet. Niet óf hij zijn jas aandoet maar welke, en niet óf hij in bad gaat maar of hij eerst zijn haren of eerst zijn buik wast. Dat verandert niets aan de richting en het geeft hem net genoeg regie om mee te werken.
Waarom dit werkt
Deze drie regels hebben één ding gemeen: ze gaan er allemaal vanuit dat je kind niet dwarsligt maar iets nog niet kan.
Hij kan nog niet zomaar schakelen van het ene naar het andere, hij kan een opdracht van veraf nog niet aan zichzelf koppelen, en hij hoort in een ontkennende zin vooral het werkwoord. Dat zijn geen karaktereigenschappen maar dingen die zich in de loop van jaren ontwikkelen.
Dus in plaats van harder te vragen, maak je het makkelijker om te doen wat je vraagt. Dat is de hele truc, en het is aanzienlijk minder vermoeiend dan de andere aanpak.
Tot slot
Als je kind niet luistert, ligt dat zelden aan hoe belangrijk hij vindt wat je zegt. Meestal ligt het aan het moment, de afstand en de vorm.
Dat is goed nieuws, want die drie heb je zelf in de hand, en je hoeft er niet strenger voor te worden.
Begin niet met alle drie tegelijk, want dan denk je er de hele dag over na en houd je het geen week vol. Pak er één, het liefst die eerste, en kijk wat er in twee weken verandert.
Merk je dat luisteren thuis vaak neerkomt op herhalen, waarschuwen of uiteindelijk boos worden? Dan helpt het om eerst te zien welk stukje bij jullie het meeste verschil maakt.
De test laat je zien waar je het beste kunt beginnen, zodat je niet harder hoeft te praten, maar duidelijker kunt worden op de momenten waarop het vaak misgaat.
In de OpvoedApp lees je daarna wat je zegt op de momenten die het vaakst misgaan.






